Gespot: klassiekers in Londen
Bristol 411 - Foto: Jim Appelmelk

In Londen lijk je alles te kunnen spotten. De meest bizarre en zeldzame creaties rijden er dagelijks over straat, denk maar aan de Merdad Cayenne van vorige week. Ook bijzondere oude auto’s zie je er veel. Werp je echter een kritische blik op de afkomst, dan concludeer je dat je maar zelden een DS Décapotable of 3.0 CS ziet rijden. Er zijn echter genoeg leuke Britse klassiekers.
Alvis TD21 Convertible
Alvis is als merk het beste vergelijkbaar met Bentley, afgezien van het feit dat de laatste een stuk meer kostte. Beide merken begonnen met het bouwen van raceauto’s in het tweede decennium van de vorige eeuw, maar gingen op den duur over op het bouwen van luxe, comfortabele auto’s voor de serieproductie. De TD21 is hiervan één van de meest voorkomende, maar nog steeds is 1.070 exemplaren niet erg veel. Dit aantal was verdeeld over coupé’s en cabriolets, die elk weer in twee series werden gebouwd. De tweede serie is herkenbaar aan onder andere geïntegreerde mistlampen.


Aston-Martin DB6
Ook de Aston-Martin DB6 werd in twee series gebouwd. De tweede serie is in dit geval te herkennen aan uitstekende randen om de spatborden heen. Afgebeeld is dus een exemplaar uit de eerste serie, waarvan er veruit de meeste zijn. De DB6 kreeg de zware taak om de DB5 op te volgen, veruit de meest beroemde Aston-Martin. Hoewel er twee keer zo veel van zijn gebouwd, was dit wel over een twee keer zo lange periode. Daarnaast is een DB6 een fractie waard van een DB5, waarmee het voor de liefhebber een goed alternatief is.


Bentley S1 Continental Mulliner Coupe
Aan het begin van de jaren ’50 was coachbuilding nog op volle toeren. Zeker voor Bentley was dit erg belangrijk, omdat de Continental-lijn van hun modellen als rolling chassis naar een koetsenbouwer gingen. Mulliner is een bekende naam in het Bentley-ABC, en was dat toen óók al, want onder deze naam verschenen de meeste externe koetsen. Ze waren dan ook de meest conservatieve, en weken wat stijl betreft het minste af van de Standard Steel. De S1 Mulliner Coupe lijkt met een totale productie van 217 exemplaren heel erg zeldzaam te zijn, maar wie met enige regelmaat in Londen komt moet er wel eens een hebben zien rijden. Ik kom nu zelf al vijf jaar in Londen – netto gezien voor een totale duur van vier weken – en heb daar vier exemplaren gezien.





Bristol 411
Sinds de Bristol 603 is er eigenlijk maar weinig veranderd aangezien dit model door de jaren heen in productie bleef als Blenheim, maar in de jaren ’60 gingen modellen juist iets minder lang mee. De 411 is het laatste model uit een reeks sterk gelijkende modellen, die elkaar destijds in hoog tempo opvolgden. Van ’64-’65 werd de 408 gebouwd, in ’66-’67 was dit alweer de 409 met onder andere grotere motor en betere remmen. De 410, die in ’67-’69 werd gebouwd was niet heel veel anders. De 411 had alweer een grotere motor, inmiddels was de oorspronkelijke 5,1 liter gegroeid tot 6,3 liter. 253 pk was 340 pk geworden. Op deze manier bleef de Bristol een bedreiging voor de Jensen Interceptor, die dezelfde 6,3 liter van Chrysler inmiddels had vervangen door een 7,2 liter motor, hoewel beide motoren ongeveer 330 pk leverden. In één opzicht won de Jensen in ieder geval al, want van de Bristol 411 werden maar 287 exemplaren gebouwd.





Jaguar XJSC 3.6
De Jaguar XJS Convertible is een model dat vrij laat kwam. De eerste XJS’en rolden in 1975 van de band, maar het was pas in 1988 dat Jaguar zelf een echte softtop leverde. In de tussentijd waren er echter wel al alternatieven. Hess & Eisenhardt in de Verenigde Staten bouwde in 1986 al XJS’en om tot cabriolet, Lynx bouwde aan het einde van de jaren ’70 al zogenaamde XJS Spiders. Het enige dat Jaguar zelf in de tussentijd te bieden had, nota bene pas vanaf 1983, was de XJSC, een model waarvan het dak weliswaar open kon, maar de B-stijl en het dakdeel tussen de B-stijlen bleef overeind. Dit zijn zeldzame auto’s, want er werden maar 1.146 XJSC 3.6’en gemaakt. De XJSC V12 deed het iets beter, maar die 3.863 exemplaren zijn verwaarloosbaar weinig naast de 28.011 èchte cabrio’s. Hierop moesten klanten echter wachten tot 1988.


Lotus Elan Sprint
Wie aan Lotus denkt, denkt aan puur rijden. Al vanaf het begin van het merk, anno 1952, was dit de opzet van hun modellen. De Lotus Seven is de tijdloze auto waarvan het concept op den duur werd geleend door Westfield, Caterham en Donkervoort omdat het zo’n simpele doch doeltreffende opzet had. In de loop van de jaren ’50 en ’60 begon het merk met iets minder Spartaanse modellen zoals de populaire Elan. Deze was er als coupé èn cabriolet. De Elan Sprint Cabriolet is hiervan één van de meest gewilde, onder andere door de krachtige motor. Dit was slechts een 1,6 liter viercilinder, maar omdat de auto, dankzij gebruik van kunststof, nog geen 600 kilo woog, was er met 126 pk erg fijn te rijden.

Rolls-Royce New Silver Spur
Grof genomen is de Silver Spirit, en dus ook de Silver Spur, een blokkendoos. Schoonheid zit echter in details. Ga je de auto kritischer bekijken, dan zie je dat er eigenlijk niet veel mis mee is. Hij is recht, maar met kloppende verhoudingen, en met oog voor detail. Wat de auto wel kan verpesten is een verkeerde kleurstelling, verkeerde wieldoppen, en zo’n vreselijk everflex roof, wat alle drie helaas veel te vaak voor komt. Classy donkerblauw of donkergroen met een mooi licht interieur maken de auto al veel chiquer en eigenzinniger dan het vermoeiende zwart. De Silver Spirit en Silver Spur werden door de jaren heen stukken mooier door zaken als meegespoten bumpers en passende lichtmetalen wieldoppen, met als neusje van de zalm de “New Silver Spur”, waarmee van 1994 tot en met 1998 de periode van Boxy Rolls-Royces – tijdelijk - werd afgesloten, de huidige modellen zijn immers ook verre van rond. Inmiddels zijn mooie exemplaren tegen spotprijzen te koop, maar dan heb je vaak wel een rechts gestuurd exemplaar.









