Alfa Romeo 164 3.0 V6 24V Q4, youngtimer in beeld

Praat mee!
Redacteur Autoblog

Alfa Romeo 164 3.0 V6 24V Q4, youngtimer in beeld

Alfa Romeo 164 3.0 V6 24V Q4, youngtimer in beeld

Trap bij groen licht het gas vól in en je zit ongeveer op de 100 tegen de tijd dat je zijn titulatuur volledig uitgesproken hebt: de Alfa Romeo 164 3.0 V6 24V Q4. Wel jammer van die fantastische zescilinder roffel dat je er zelf doorheen zat te murmelen. Nog een keer.

Als ultiem topmodel van de in 1987 geïntroduceerde 164 bracht Alfa Romeo in 1993 deze vierwielaangedreven knalsedan uit. De jongste in het gezin is vaak de brutaalste en meest opvallende en dat gold zeer zeker voor deze Alfa: de 164 kwam als laatste uit in het Type 4 project dat vanaf 1984 de Saab 9000, Fiat Croma en Lancia Thema voortbracht. Het lekkerste voor het laatst bewaren; het is van alle tijden.

De Q4 volgde de 164 Quadrifoglio Verde op als topmodel in de prijslijsten. De QV vervulde die rol tussen 1990 en 1992 hartstochtelijk met zijn verrukkelijke V6 met 200 PK op de voorwielen. In 1992 werd Guiseppe Busso's geesteskind, oorspronkelijk al ontworpen voor de Alfa 6, vervangen door een 24-kleps versie ervan, die met zo'n 230 PK het groene klavertje in maar net iets meer dan 7 seconden naar de 100 sleurde en pas bedaarde bij een top van 245 km/u. Zoveel mogelijk rechtuit en op droog wegdek, dat wel. De voortrein had namelijk nogal moeite om al die kracht te verwerken en om te zetten in snelheid en een strakke koers. Zelfs een zwaar onderkoelde Fin aan de valium veranderde aan het stuur van deze top Alfa in een heetgebakerde Italiaanse druktemaker als het serieus en bochtig planken werd.

Daar bracht de Q4 verandering in. In samenwerking met Steyr-Puch ontwikkelde Alfa Romeo het zogenaamde Viscomatic 4WD systeem voor de snelste 164. Een voor zijn tijd zeer geavanceerd, variabel 4WD systeem dat het vermogen naar de voor- en de achterwielen overbracht, of alle mogelijke variaties daarin. Met een centraal differentieel en een planetair Torsen differentieel achterin kon het vermogen op de achterwielen gevarieerd worden tussen 0 en 100 %. De vloeistofgevulde lamellenkoppeling (viscokoppeling) verdeelde het koppel elektronisch over de aandrijfassen aan de hand van de input van ABS, motortoerental, snelheid, slip enzovoort. In combinatie met de handgeschakelde Getrag zesbak en de onafhankelijke ophanging rondom met torsiestabilisatoren voor en achter zorgde dit systeem voor serieus te nemen rijeigenschappen. Keihard hoeken in een grote sedan, vai tranquillo!

Het hele systeem bracht uiteraard wat meer gewicht in de schaal waardoor de sprint van 0-100 km/u nu 7.5 seconden duurde, de top bleef zo'n 245 km/u. Je zegelboekje was wel wat sneller vol met een verbruik van rond de 1 op 7. Ook de kofferruimte was wat minder als gevolg van het achterdifferentieel, maar er was nog altijd de neerklapbare achterbankleuning als je stond te hannesen bij de woonwinkel met dat onwerkelijk platte boekenkastpakket. Met twee keer dezelfde verwondering: dat het erin past…

Dat gold evenzeer voor alle luxe aan boord. Naast de meer dan riante standaarduitrusting van de Super V6 deden de Italianen er nog een flinke schep bovenop met onder andere lichtmetalen velgen, lederen bekleding, elektrisch verstelbare stoelen, cv met afstandbediening, elektrisch bediende ramen achter en standaard geluidsinstallatie. Die zat gemonteerd in een middenconsole met een imposante hoeveelheid knoppen, gearrangeerd als het bordes waarop ons kabinet telkens quasi ontspannen voor de gebruikelijke glunderfoto poseert. De Alfa blijkt intussen stukken betrouwbaarder, trouwens.

Het uiterlijk bleef redelijk ingetogen, min of meer een sleeper. Hij was, net als eerder de QV, herkenbaar aan de spoilers en skirts die wat omvangrijker waren dan die van de standaard V6, maar verder was er weinig bravoure te ontdekken aan deze karaktervolle berlina. Wel had hij een vrij herkenbare kleurstelling: vanaf de stootlijsten op de deuren en bumpers naar beneden was het hele pakket vaak grijs of zwart, afhankelijk van de carrosseriekleur. En de chroomstrips op de bumpers en flanken, aanwezig op de normale modellen na de facelift van 1994, schitterden ook door hun afwezigheid. Prachtig. Zo leidde niets je af van die typische wigvorm en dat hoekige silhouet uit de jaren 80 en 90, dat stond als een huis.

Dat kon je er trouwens ook voor kopen: hij kostte destijds de lieve som van 114.000 ouderwetsche guldens. Ze gingen derhalve niet als de spreekwoordelijke zoete broodjes over des dealers toonbank, hij bleef behoorlijk exclusief. En schreef enorm af, naar de gebruikelijke Italiaanse maatstaven. Voor hedendaagse liefhebbers natuurlijk goed nieuws, mits je er een kunt vinden. De Q4 is erg zeldzaam, een echte parel. De QV is iets minder zeldzaam, maar nog steeds moeilijk te krijgen. Een Super V6 is al makkelijker te vinden en doordat grote delen van de auto al gegalvaniseerd waren vaak nog in verbazingwekkend goede staat ook. Dat hoeft bovendien tegenwoordig niet meer te kosten dan, pak 'm beet, een fijne computer. Als je om onbegrijpelijke redenen tóch voor die computer kiest heb je in ieder geval alvast een veilig wachtwoord: AR 164 3.0 V6 24V Q4. En spijt als haren op je hoofd.