Formule 1 vindt straaljagers écht niet meer kunnen

Praat mee!
Redacteur Autoblog

De Formule 1 is er om de wereld een betere plek te maken en straaljagers passen daar natuurlijk niet bij.

Topsport wordt altijd uiterst serieus genomen omdat er zoveel geld in omgaan. Daarbij wordt wel eens vergeten dat het uiteindelijk gewoon entertainment is. Het is niet alsof 60 rondjes rijden met twintig auto's verder een nuttige bezigheid is.

Toch wil de Formule 1 - zoals alle andere grote bedrijven - graag meewerken aan een betere wereld, namelijk door de CO2-uitstoot te verminderen. De beste oplossing zou natuurlijk zijn om de Formule 1 dan maar meteen op te heffen, maar dat is ook weer zowat.

De Formule 1 blijft dus gewoon de wereld over reizen met het hele circus om overal lekker CO2 uit te stoten. Alleen doen ze het dan op een manier die iets milieuvriendelijker is. Of minder milieu-onvriendelijk, zo je wilt.

In dit kader gaat de Formule 1 nu ook vliegshows afschaffen. Dat meldt de doorgaans uitstekend geïnformeerde Italiaanse krant Corriere della Serra. Alle Grand Prix-organistoren hebben bericht gekregen dat ze straaljagers aan de grond moeten houden. Dit onderdeel van festiviteiten is met ingang van dit seizoen niet meer gewenst.

Dit betekent niet dat er helemaal niet meer gevlogen mag worden rondom de races. Passagiersvliegtuigen en historische vliegtuigen mogen nog wel onder bepaalde voorwaarden een fly-by doen.

Boze tongen beweren dat er meer speelt dan alleen het milieu. Er wordt namelijk gezegd dat de Formule 1 op deze manier ook wil voorkomen dat de sport wordt misbruikt voor militair machtsvertoon. Want politieke statements, daar is de Formule 1 natuurlijk niet voor bedoeld. Behalve dan als het over Black Lives Matter gaat.

Op Zandvoort werd er het afgelopen jaar al een streep gezet door de show van de luchtmacht. Dit had wel een politiek motief: de fly-by werd afgelast vanwege de situatie in Afghanistan. Het lijkt er nu dus op dat de luchtmacht ook dit jaar geen acte de présence zal geven op Zandvoort.

Foto credit: Ben Sutherland