Dit was de eerste Ferrari voor de straat met middenmotor
Ferrari 250 LM Stradale

Vergeet de Dino, vergeet de Berlinetta Boxer, deze was eerder.
Enzo Ferrari en de achter de bestuurder geplaatste middenmotor, ze waren geen vriendjes. Ferrari was van mening dat het motorblok voorin hoorde, daar waar hij ze altijd al had geplaatst. Zijn concurrenten bewezen zijn ongelijk. In de Franse Grand-Prix van 1958 wint de Ferrari 246 F1, de laatste keer dat een auto met voorin geplaatste motor een F1-wedstrijd zou winnen. Toch komt Ferrari pas in 1961 met een F1-wagen waarin de motor achter de coureur geplaatst is: de schitterende 156 F1 'Sharknose'. Ferrari wordt dat jaar subiet kampioen.
Schoorvoetend bouwt Enzo Ferrari steeds meer wagens met middenmotor, zij het voorlopig alleen racewagens. In 1967 is daar de Dino 206 GT (de voorloper van de bekendere 246 GT), maar deze 'Ferrari' mag met zijn vreemde configuratie (midscheeps geplaatste V6) nog even geen Ferrari heten. De eerste straatauto met middenmotor en Ferrari-logo komt pas in 1973 op de markt: de 365 GT4 Berlinetta Boxer. Tenminste, dat is wat de meeste geschiedenisboeken je willen doen geloven.
Homologatie
Om deel te mogen nemen aan het FIA GT-kampioenschap, moeten fabrikanten tenminste 100 auto's bouwen ter homologatie. Om de fabrikanten tegemoet te komen, nam de FIA de eerste jaren ook genoegen met serieuze plannen om 100 auto's te bouwen. Fabrikanten speelden daar slim op in en beduvelden de boel links- en rechtsom. Zo liet Aston Martin de chassisnummers van de DB4 GT aflopen, terwijl Ferrari de 250 GTO homologeerde door steeds kleine aanpassingen aan de 250 GT SWB te homologeren tot ze voldoende goedgekeurde onderdelen hadden om met de 250 GTO aan de start te verschijnen.

De FIA was zelf ook niet op haar achterhoofd gevallen en wanneer Ferrari de 250 LM wil homologeren, steken ze daar een stokje voor. Niet zo gek, in 1963 zijn er nog niet zoveel straatauto's met middenmotor en dus moet Ferrari aan de FIA aannemelijk gaan maken dat ze de 250 LM ook daadwerkelijk willen gaan verkopen. Tot die tijd moet de auto het met zijn 3.3-litermotor (eigenlijk zou hij 275 LM moeten heten) uitkomen in de prototype-klasse, waar de meeste auto's veel grotere motoren hebben.
250 LM Stradale
Ferrari stuurt daarop een auto naar Pininfarina met de opdracht er een straatauto van te bouwen. Pininfarina pakt dat grondig aan en gaat verder dan alleen het interieur wat meer aan te kleden. Zo wordt de wielbasis 26 centimeter verlengd voor wat meer ruimte in het interieur. Wat natuurlijk meteen opvalt is de grote plexiglas achterruit, waaronder een zestal schitterende dubbele Webers liggen te pronken. Verder worden zowel het frontje als de achterkant wat geciviliseerder gemaakt. De schuifruitjes in de deuren (die overigens 1-op-1 uit de GTO '64 komen) worden vervangen voor standaard slingerruitjes, terwijl aan beide kanten een stuk van het dak omhoog kan klappen om gemakkelijker te kunnen instappen.

Het interieur wordt schitterend afgewerkt met rood leer, wat mooi contrasteert met de witte lak en blauwe striping. Die kleur is niet voor niets gekozen, het zijn de kleuren waarin in die dagen de Amerikaanse racewagens worden gespoten. Drie keer raden waar Ferrari dacht deze 250 LM Stradale vooral te gaan verkopen. Motorisch gezien is de Stradale gelijk aan zijn racende broertjes: 320 pk uit een 3.3 V12 op een wagengewicht van 875 kilo. Goed voor 0-100 in 6.1 seconden en een top van 295 kilometer per uur. Italiaanse kilometers overigens, er werd in die dagen nog wel eens gesjoemeld met de topsnelheden...
Tot honderd exemplaren komt het helaas nooit. Sterker nog, er wordt slechts één echte 250 LM Stradale gebouwd door Pininfarina. Wel wordt er later nog één van de 31 andere 250 LM's omgebouwd tot straatauto. Deze krijgt wel een grote plexiglas achterruit, maar is lang niet zo extreem aangepast aan straatgebruik als dit exemplaar. Oh, en niet te vergeten: in 1966 wordt de Ferrari 250 LM alsnog gehomologeerd, al is het dan eigenlijk al te laat.









