Special: Jaguar S-Type (X200)
Jaguar S-Type R

Moderne techniek in een klassiek jasje. Niemand die het begreep.
Het was de rage van de jaren aan het einde van de vorige eeuw: automerken kopen. Met name Ford en Volkswagen waren er uitermate bedreven in. In het geval van Ford was dat ook logisch. Op hun eigen thuismarkt deden ze het uitstekend op het gebied van ‘normale’ auto’s (Ford), iets luxere varianten (Mercury) en hele luxe modellen (Lincoln). Maar hoe groot en luxe een Town Car ook is, de Europeanen believen dat niet. In plaats van een complete modellenlijn ontwikkelen kocht Ford diverse luxemerken op, om zo hun eigen luxe-divisie op te kunnen zetten; de Premier Auto Group. Onder deze automotive paraplu waren de merken Aston Martin, Jaguar, Lincoln en Volvo vertegenwoordigd.
In het geval van Jaguar is de overname van Ford de redding van het merk geweest. Ten eerste voor de XJ modellen. De grote limousines combineerden grace, space en pace met erbarmelijke bouwkwaliteit en belabberde afwerking. Ford investeerde flink in de verbetering van de kwaliteit en dat heeft zijn vruchten afgeworpen. Ook zag de XK het levenslicht, een beeldschone Gran Tourer die het aanzien van het merk aanzienlijk verhoogde. Om het helemaal af te maken moest er een model bijkomen voor de aantallen. Een auto die opereerde in de klasse van de Mercedes-Benz E-Klasse en BMW 5 Serie. Jaguar was al in de jaren ’80 bezig met het ontwikkelen van een dergelijke auto. Ford zag dat project niet helemaal zitten en wilde vanaf het begin betrokken zijn met de ontwikkeling van de nieuwe auto.

Speciaal voor deze nieuwe auto werd er een compleet nieuw platform ontwikkeld. De nieuwe Jaguar moest minimaal net zo goed zijn als de Duitse concurrentie, dus simpelweg een Mercury Sable omkatten was nicht im frage. Het resultaat was het DEW-platform (D + E segment, Worldwide), dat door Ford- en Jaguar engineers werd ontwikkeld. Net als al het andere marketinggeneuzel moest de compacte Jaguar ‘dynamisch’ worden, maar dan wel in de goede zin van het woord. Niet een knetterhard onderstel met veel te straffe veren, maar juist een soepel chassis met geraffineerde demping. Dit kost een hoop tijd en geld om goed te ontwikkelen, maar het voordeel is dat je een uitstekende basis hebt.

Het resultaat werd in 1999 ten tonele getoond: de S-Type. Het is moeilijk om het het niet over de styling te hebben. De auto was geïnspireerd op de twee succesverhalen van Jaguar van weleer, de S-Type en de MkII. De klassieke lijnen maakten het zeker een bijzondere verschijning. Met name het front met vier ronde koplampen en ovale grille deden zeer retro aan. Nu was retro in die tijd in opkomst (New Beetle, PT Cruiser, New Mini), maar niet in deze klasse.

Aanvankelijk was de S-Type leverbaar in een beperkt aantal varianten. Instappen deed je met de 231 pk sterke V6. In basis een 3.0 motor van Ford, maar iets opgepept door Mazda met een variabel inlaatspruitstuk. Deze motor kon met zowel een automaat als handgeschakelde vijfbak besteld worden. Een handbak. In een Jaguar! De tweede motor was de bekende AJ-V8 uit de XJ en XK, goed voor 286 pk.

De S-Type werd uitstekend ontvangen door de pers. Op zich ook logisch, want de auto reed uit de kunst. De S-Type had een bijzonder goed uitontwikkeld onderstel. Mede dankzij de flinke wielbasis en natuurlijk de achterwielaandrijving heb je al een uitstekend uitgangspunt. De S-Type kwam er in diverse smaakjes: basis, Executive en Sport. Die laatste kon je eenvoudig herkennen aan de in carrosseriekleur gespoten strips, die normaliter in het chroom zijn uitgevoerd.

De eerste twee jaar van de carrière van de S-Type verliepen niet vlekkeloos. Dat lag zeker niet aan de verkopen. Natuurlijk kon de auto geen vuist maken tegen de Duitse Drie in absolute aantallen, maar voor Jaguar was het een uitstekende bestseller. Het probleem zat hem in de betrouwbaarheid, ofwel het gebrek eraan. Met name op het gebied van afwerking en elektronica was de auto niet foutloos. In het interieur was er een nog grotere flater geslagen. De S-Type had een waanzinnig grote middenconsole, met het scherm helemaal aan de verkeerde kant voor de bestuurder. Nu zou je kunnen denken dat dit ook gold voor rechts-gestuurde S-Type, maar nee hoor: ook daar zat het scherm aan de verkeerde kant.

Omdat Ford wel een beetje waar voor zijn geld wilde terugzien, werd het platform van de S-Type ook voor andere auto’s gebruikt. De eerste exponent daarvan was de Lincoln LS, een keurige vierdeurs sedan. Naar Amerikaanse maatstaven bijna te keurig, want de auto zag er absoluut niet bijzonder uit. De auto werd geroemd om zijn rijeigenschappen, die volgens velen minimaal op het niveau van een 5 Serie lagen. De motoren droegen bij aan de feestvreugde: zowel de V6 als de V8 kwamen bij Jaguar vandaan.

Iets later kwam er nog een variant op basis van de S-Type, de Ford Thunderbird. De auto was net als de S-Type volgens de toen heersende trend een retromobiel ten voeten uit. De Thunderbird was er alleen met een V8 (in het begin 252 pk, later 280 stuks) en vijftraps automaat. Ford dacht aanvankelijk enorm te kunnen scoren met de auto, maar het bleek een enorme flop.

Terug naar de S-Type. Jaguar nam geen halve maatregelen en voorzag de S-Type al na drie jaar van een flinke facelift. Qua uiterlijk veranderde er niet zo heel erg veel, de koplampen waren iets helderder en er waren nieuwe kleuren en velgen. Om de S-Type bereikbaarder te maken kwam er een nieuwe instapper in de vorm van een 192 pk sterke 2.5 V6. De 4.0 V8 werd vervangen door een 4.2 V8 met 300 pk.

Het meest belangrijke verschil zat verder onderhuids. De elektronica werd ernstig verbeterd en het dashboard ging op de schop. De middenconsole deed denken aan dat van de XJ en had een groot touch-screen voor de navigatie in het midden van de console. Precies zoals het eigenlijk van het begin af aan het moeten zijn.

Met de facelift kwam er ook een nieuwe topmodel, de S-Type R. Deze had net dezelfde 4.2 motor met mechanische compressor als de XJR en XKR onder de kap. En dan niet zoals Duitse merken het willen doen met 20% minder vermogen, maar gewoon met de volle 405 pk en 553 Nm. De prestaties waren voor die tijd behoorlijk acceptabel: 0-100 km/u in 5,6 seconden en begrensde top van 250 km/u. Maar het meest bijzondere aan de S-Type R was nog de wegligging: je kon echt ouderwets de hooligan met deze auto uithangen. Ja, de toen even nieuwe Audi RS6 was iets sneller, maar lang niet zo leuk.

In 2004 werd de S-Type andermaal gefacelift. Het initiële ontwerp kreeg toch wat kritiek vanwege de wel erg oubollige lijnen. Nu was daar weinig aan te doen, maar Jaguar wist met een paar cosmetische aanpassingen het geheel iets moderner over te laten komen. Met name aan de achterkant was de S-Type nu een stukje strakker. Daarnaast werd de grille gerestyled en was de motorkap nu van aluminium.

Onder die motorkap gebeurde op benzinegebied niet zoveel, alle motoren bleven ongewijzigd. Wel was er nu de mogelijk om te kiezen voor een gloednieuwe V6 biturbodiesel die samen met PSA was ontwikkeld. In de S-Type leverde deze motor 207 pk bij 4.000 toeren en 435 Nm bij 1.900 toeren. Deze motor zou later ook zijn weg vinden naar de Peugeot 607 en de Citroen C6. Ondanks dat bijna alle S-Type diesels uitgerust waren met een automaat, behoorde een handgeschakelde zesbak wel degelijk tot de mogelijkheden.

Na 8 jaar mocht de S-Type in 2007 met pensioen. De S-Type was een beetje een ambivalente auto. Veel mensen die een S-Type kochten wilden alle kwaliteiten van een Jaguar voor een iets lagere prijs. Het is jammer dat die mensen waarschijnlijk nooit in de buurt zullen komen van wat zo’n S-Type eigenlijk kon. Qua rijeigenschappen stond de auto, ook aan het einde van zijn carrière, nog altijd hoog aangeschreven.

Jaguar heeft er wel van geleerd, want zijn opvolger, de XF, was in alles anders. Sterker nog, de XF was voor Jaguar een compleet nieuw begin. Een auto met durf, moderne lijnen en flair die de Duitse auto’s simpelweg ontberen. Ook de XF was een uiterst fijne rijdersauto. Op zich ook niet zo gek, want de motoren, transmissie en het onderstel werden bijna regelrecht overgenomen van de S-Type. De auto die alles kon, maar er niet mee te koop liep.





