Klassieker: Peugeot 604 Diesel Turbo

Praat mee!
Redacteur Autoblog

Peugeot 604

Peugeot 604

Rond 1980 al turbodieselen in een grote limousine, bestond dat eigenlijk?

Bien sur: de Peugeot 604 Diesel Turbo. Typisch bourgondisch comfort in een door Pininfarina ontworpen topmodel, waarvan de styling treffend werd omschreven als “kalme elegantie”. Als eerste op de Europese markt met een turbodieselmotor in dit segment liep Peugeot in 1979 een heel eind voor de troepen uit, maar plukte er niet lang de vruchten van. Het onontkoombare lot van alle Franse topsegmenters: uiteindelijk toch weer getackeld worden door de Germanen. Merde.

Mercedes bracht een jaar eerder al een turbodiesel uit, de 300 SD. Maar deze was uitsluitend leverbaar in de USA, voornamelijk om aan de strenge Californische wetgeving te kunnen voldoen. Zodoende was Peugeot trendsettend op de Europese markt met die Garrett Airesearch T03 turbo op de 2.3 liter Indénor diesel. De XD2S, voor de techneuten. Zonder turbo werd deze al gebruikt in de 504, waarvan en passant ook de deuren werden overgenomen in het ontwerp. Dat zag toch niemand, niet te moeilijk doen.

Onder de kap ook niet, maar plompverloren een turbo monteren op dat beproefde dieselaggregaat bleek een beetje te kort door de bocht. Eigenlijk werd alleen de basis van het blok gebruikt en werd het opnieuw opgebouwd met het oog op de grotere krachten en hogere temperaturen. Koeling en vooral smering werden danig aangepast omdat de olie behalve voor de smering ook moest zorgen voor voldoende warmteafvoer van de turbo en het blok zelf. Hiertoe werden onder andere een oliekoeler en extra oliesproeiers gebruikt om de temperaturen binnen de perken te houden. Ook moesten olie en filters zeer regelmatig vervangen worden om een optimale werking te garanderen, het liefst elke 5000 km. Een heel gedoe voor slechts 80 PK.

Want dat was het eindresultaat. Gecombineerd met een gewicht van een dikke 1400 KG waren burn-outs hiermee uitgesloten. Ook de topsnelheid van zo’n 160 km/u was niet heel erg angstaanjagend. Als je dat toch nog te wild vond kon je een automaat bestellen, daar werd-ie nóg wat stroperiger van. Dat paste ook wel bij zijn uitermate comfortabele karakter en luie aard. Soms zó lui dat hij überhaupt niet wilde starten: de vroege exemplaren hadden meer dan eens een serieus startprobleem in koude omstandigheden. De 2.5 liter versie, die in 1983 de 2.3 opvolgde, had hier minder last van en produceerde bovendien 10 PK meer. Je kon nu de honderd per uur halen in iets minder dan 17 seconden. Als je daar echt zin in had tenminste.

Waarschijnlijk niet, want dat walmt, maakt herrie en werkt zelfs averechts: boven de 4500 toeren pruttelt en smoort de DT meer dan dat-ie optrekt. Niet doen. Rijd hem op koppel, dat is er meer dan genoeg en is veel meer in overeenstemming met zijn statige uiterlijk en genereuze karakter. In dat beeld past ook het heerlijke Frans-zachte meubilair met dikke bekleding en allerhande luxe als elektrische ramen, stuurbekrachtiging en met het Grand Confort pakket ook een schuifdak, getint glas en centrale vergrendeling. Daar hoef je je zelfs tegenwoordig niet voor te schamen.

Voor zijn wegligging ook niet, want alle vooroordelen en clichés ten spijt: het was in zijn tijd een serieus goed sturende auto. In dit geval uiteraard nogal vertroebeld door die 80 dieselpeekaatjes, de V6 benzineversie deed daar veel meer recht aan. Zijn rijkwaliteiten werden destijds vergeleken met de Jaguar XJ en de grote Citroëns en door veel journalisten zelfs beter geacht dan de Mercedes S-klasse. Feestelijk chauvinisme in Parijs en bloedserieuze Sitzungen in Stuttgart. Zoals altijd, eigenlijk.

Maar het deed geen wonderen voor de verkoopaantallen van de Six Cent Quattre. Kennelijk was een wat dikkere portemonnee alleen leverbaar in combinatie met oogkleppen want de hele gegoede bourgeoisie ging als altijd op zeker en koos weer blind voor de geijkte Duitser of Brit. Je zou ook eens opvallen tussen je reactionaire rotaryvrindjes.

Het langetermijneffect daarvan was wel dat ze gespaard bleven van de typische “Franse-tweedehands-fratsen” die onvermijdelijk de kop zouden gaan opsteken. Want na een poos bleek ook dit schitterende slagschip zijn Franse afkomst niet te verloochenen: vreemde elektrische storingen omdat de bedrading wat ongelukkig in weer en wind hing onder de motorkap. Bovendien bleek Frans plaatwerk en roest toch weer net zo’n zeldzame combinatie als pubers en puisten. Zo kregen ze zelfvoldaan toch nog gelijk in hun evidente keuze.

Zelf heb je nu vrijwel niets meer te kiezen: een enkele V6 is nog wel te vinden met een beetje speurwerk, maar de Diesel Turbo is zo goed als uitgestorven. Met het huidige milieubeleid en hysterische, symboolpolitieke maatregelen van een aantal grote gemeentes is een oudere diesel toch al een discutabele keuze. Alsof die zelfontbrander op leeftijd op vloeibare ebola loopt. Jammer, want deze corpulente schoonheid was echt een pionier in het turbodieselen en verdient een waardige oude dag. Het liefst als heimelijke liefde van een Utrechts gemeenteraadslid. Eindelijk erkenning.

Video